Het
Steunpunt Jeugd gaat uit van
gelijkheid en
gelijkwaardigheid van alle kinderen en jongeren. Alle kinderen en jongeren hebben recht op een zinvol vrijetijdsaanbod, dus ook op een gevarieerd jeugdwerkaanbod. Op dat vlak is er werk aan de winkel. Over het algemeen zouden BSO- en TSO-jongeren ten opzichte van ASO-jongeren opvallend minder participeren aan sociale bewegingen, de jeugdwerk- en culturele verenigingen en ontspanningsverenigingen. Jongeren uit het beroepsonderwijs participeren het minst, zowel aan verenigingen binnen als buiten het jeugdwerk, jongeren uit het algemeen secundair onderwijs het meest.
De juiste aanpak?
Discussies over ‘de juiste aanpak' om verschillende doelgroepen binnen het jeugdwerk te bereiken worden vaak in of-of termen gevoerd. De categoriale aanpak wordt tegenover de inclusieve aanpak geplaatst. Een doelgroepbenadering vertoont de neiging om kinderen en jongeren in een afgelijnd hok te steken. Wie afwijkt, krijgt zijn of haar portie preventie, extra begeleiding of wordt een bijzondere doelgroep. Anderzijds is werken aan toegankelijkheid ook niet zaligmakend.
Gelijke kansen wordt al te vaak opgevat als gelijke
participatie bevorderen. Dat leidt tot de redenering: 'Als we het jeugdwerk toegankelijker maken dan hebben ze de facto gelijke kansen.' Maar wat als een groep kinderen en jongeren niet participeert? Moeten we ons dan niet afvragen of we met het bestaande jeugdwerk genoeg aansluiten bij een
diversiteit van ervaringen van kinderen en jongeren?
Daarnaast wordt het machtsverschil in de context van
diversiteit vaak gebagatelliseerd.Voor veel groepen in de samenleving blijft de noodzaak bestaan om zich te organiseren in functie van een te maken inhaalbeweging, in functie van emancipatie.
Vraaggericht werken
Het blijft binnen het jeugdwerk dan ook zoeken naar een dynamisch en sterk contextueel invullen van een aanpak. De noden en behoeften van de kinderen en jongeren moeten bepalend zijn voor acties en initiatieven binnen het jeugdwerk. Terwijl er een tijd geleden vooral werd nagedacht over de 'toegankelijkheid' van het bestaande jeugdwerk- aanbod is er nu een groter draagvlak voor verschillende sporen. Binnen het jeugdwerk zelf is men vandaag vragende partij voor een verbreding en differentiëring van het jeugdwerk. Naast werken aan toegankelijkheid impliceert dit nieuwe jeugdwerkvormen ontwikkelen vertrekkend van gedeelde interesses en geënt op de leefwereld en leefcultuur van kinderen en jongeren.
Steeds meer jeugdorganisaties kiezen om inclusief te werken. Het komt er op neer bestaande structuren in de organisatie aan te passen aan de verschillen tussen mensen, zodat iedereen erbij kan horen en kansen krijgt om evenwaardig te participeren. Bijvoorbeeld een organisatie kan zijn activiteiten zo aanpassen dat het kind/jongere zoveel mogelijk zichzelf kan blijven en kan mee doen.