Jeugdwerkorganisaties die op Vlaams niveau actief zijn kunnen een vrijstelling voor onroerende voorheffing krijgen voor de gebouwen of gronden die ze ter beschikking hebben. Een stevige besparing!
Onroerende voorheffing is een belasting die eigenaars jaarlijks moeten betalen voor hun gronden en gebouwen. Als ze gronden of gebouwen echter ter beschikking stellen van jeugdwerk, kunnen ze in principe worden vrijgesteld van deze belasting. Deze vrijstelling geldt zowel voor lokale en provinciale jeugdverenigingen, als voor jeugdwerk dat actief is op Vlaams niveau. Zonder vrijstelling kan deze belasting voor een eenvoudig jeugdlokaal vaak oplopen tot enkele 100'en euro's per jaar. Voor grotere gebouwen kan dit bedrag nog een pak groter zijn. De moeite dus om een vrijstelling aan te vragen!
Tot voor kort moesten eigenaars deze vrijstelling jaarlijks aanvragen via een bezwaarschrift, een ingewikkelde procedure. Sinds vandaag bestaat er een vereenvoudigde procedure voor jeugdwerk, erkend of gesubsidieerd via het decreet Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid én hun lokale afdelingen.
Jeugdwerkorganisaties uit één van deze 3 lijsten én hun lokale afdelingen:
Op www.jeugdlokalen.be/onroerendevoorheffing vind je alle info over de vrijstelling onroerende voorheffing voor:
lokale afdelingen van jeugdwerk actief op Vlaams niveau
Neen! Als de belastingdienst één of meerdere van volgende zaken vaststelt:
…kan de vrijstelling voor onroerende voorheffing geweigerd worden.
Het staat de Vlaamse Belastingdienst vrij om bijkomende bewijsstukken op te vragen. Het feit dat je jeugdwerkorganisatie bent, erkend of gesubsidiëerd via het decreet Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid is een indicatie voor de Vlaamse Belastingdienst om een vrijstelling toe te kennen. Als de Vlaamse Belastingdienst in vraag stelt of je echt voldoet aan de voorwaarden, kunnen er extra bewijsstukken worden opgevraagd.
Ook de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse overheid, als eigenaar van jeugdwerkinfrastructuur, kan beroep doen op deze procedures.
Het beste is om voor de gebouwen of gronden ter beschikking gesteld door een gemeentelijke, provinciale of Vlaamse overheid aan jeugdwerkorganisatie ook een vrijstelling aan te vragen in kader van artikel 253, 1° (op basis van gebruik voor “onderwijs”) en niet in kader van artikel 253, 3° (nationaal domeingoed).
De onroerende voorheffing wordt gevestigd op het kadastraal inkomen zoals het vastgesteld is op 1 januari van het aanslagjaar. Dit betekent dat de onroerende goederen op deze datum moeten voldoen aan de wettelijke voorwaarden om recht te hebben op een vrijstelling. Met andere woorden, aan een onroerend goed dat slechts in de loop van het jaar voldoet aan de voorwaarden, zal de vrijstelling pas worden toegekend vanaf 1 januari van het volgende aanslagjaar.
Als je verhuist in 2012, betekent dit concreet dat je voor het aanslagjaar 2012, de gegevens moet doorgeven van de situatie op 1 januari 2012. Voor aanslagjaar 2013, zal je de gegevens van de situatie op 1 januari 2013 moeten doorgeven. Zowel voor de vereenvoudigde procedure, als het eenvoudig bezwaarschrift, als het uitgebreid bezwaarschrift, is dit van toepassing.