Nochtans worden camera’s nog weleens op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in het straatbeeld om de criminaliteit te handhaven. Waar ligt de grens tussen het vrijgeven van persoonlijke informatie en het installeren van middelen om mensen een beter veiligheidsgevoel te geven? Dat was de inzet van de sessie ‘Lach, u wordt gefilmd’.
De deelnemers kregen twee sprekers te horen en mochten nadien voorstellen doen om enkele belangrijke punten in het beleidsplan te laten opnemen.
Voor de eerste spreker zocht het Steunpunt de mosterd bij onze noorderburen. Mark Schuilenburg, docent criminologie bij de Vrije Universiteit van Amsterdam, kon de situatie niet beter illustreren dan met een praktijkvoorbeeld uit zijn leven. Hij nam ons mee vanaf zijn huis naar zijn favoriete voetbalploeg. Onderweg kwam hij maar liefst 5 verschillende ordehandhavers tegen: zijn buurvrouw die via een SMS-systeem haar buren in de gaten moet houden (zogezegd om daders van een misdaad sneller te vinden), de chipkaart in de metro die hem al dan niet toegang verleent tot het rijtuig, de camera’s op de hoek van de straat, het winkelverbod dat winkeliers mogen opleggen en de stewards die hem de toegang tot het stadion kunnen verbieden. Geen enkele van deze handhavers was een overheid of politie. Schuilenburg stelt dan ook dat het monopolie van de politiemacht in zijn bekende vorm, helemaal passé is. In Nederland dan toch, als ziet hij diezelfde trend ook in België opkomen. En dat is schrikwekkend, vindt hij, want deze private organisaties hebben misschien andere belangen dan de overheid; het commercieel belang bijvoorbeeld, of het feit dat rijke mensen hun veiligheid kunnen kopen.
In Londen hangen ongeveer 400 camera’s in de stad. “Iedereen is popster in Londen”, grapt Schuilenburg. “Maar we moeten ons afvragen waarom die camera’s daar hangen? Is het om onze veiligheid te verhogen? Is het om mogelijk criminele feiten te vermijden? Dat is toch wat de overheid ons probeert aan te praten, maar veel feiten konden niet vermeden worden.” Als illustratie nam hij de aanslag in de Londense metro in juli 2005. “Die camera’s werden alleen handig bij het zoeken naar de potentiële daders. Maar als ze nu effectief het onveiligheidsgevoel verminderen?“
Diederik Cops, de tweede spreker en onderzoeker aan de K.U. Leuven zat op dezelfde lijn. Hij ging op zoek naar de definitie van onveiligheidsgevoelens bij jongeren en stelde vast dat het onderzoek op dat vlak heel summier is. “Het is een moeilijk begrip”, stelt hij. “Bovendien is het gevoel van onveiligheid verschillend bij jongens en meisjes, bij jonge adolescenten en oudere twintigers, bij jongeren die wel in het jeugdwerk zitten, en kinderen of jongeren die door hun ouders bepamperd worden. We kunnen het onveiligheidsgevoel pas verminderen – bij de juiste groepen – als de sociale cohesie groot is. Tussen verschillende groepen, maar ook bijvoorbeeld tussen de politie of de overheid en jongeren.”
(reportage door
Jeugdwerknet)